Please reload

Featured Posts

‘Dit is waarvoor ik arts ben geworden’

September 5, 2017

1/1
Please reload

INTERVIEW MET JAAP SEIDELL

September 28, 2018

 

‘Sommige kinderen lusten echt geen spruitjes,’ zegt Jaap Seidell.

 

6 tips om kinderen gezonder te laten eten

 

Wat kun je (aanstaande) ouders adviseren zodat hun kinderen met smaak groenten eten? En hoe voorkomen ze dat hun kind een zoetekauw wordt? Zes spreekkamertips van Jaap Seidell over smaakontwikkeling en een gezond gewicht bij kinderen.

 

Natuurlijk willen alle ouders het beste voor hun kind. Maar de praktijk is weerbarstig. Veel kinderen zijn te dik, eten te veel suiker en te weinig groente. De oplossing? Een klip en klaar antwoord is er niet. Maar als iemand weet wat ouders, artsen, scholen en beleidsmakers kunnen doen, is het Jaap Seidell. Zes van zijn tips voor (aanstaande) ouders.

 

1) Wen een kind zo vroeg mogelijk aan de smaken bitter en zuur. Begin daar al tijdens de zwangerschap mee.

Aan zoet hoeven we niet te wennen; als een baby zich vlak na de geboorte over de buik van de moeder omhoog wurmt, is ‘zoet’ de eerste smaak die het via moedermelk proeft. Levenslang blijft de combinatie vet en zoet onweerstaanbaar. Ook zout hebben we nodig, maar dat is juist extreem schaars in de natuur. Daarom hebben we ook daar een aangeboren voorkeur voor. Veel groente en sommige vruchten smaken niet zoet, maar bitter of zuur. Ouders kunnen veel doen om ervoor te zorgen dat kinderen ook andijvie, witlof en sinaasappels met plezier opeten. De beste garantie voor een goede start in het leven is een moeder die gedurende de zwangerschap goede en volwaardige voeding eet, waarna ze ten minste zes maanden borstvoeding geeft. De overgang naar vast voedsel kan vanaf vier maanden geleidelijk plaatsvinden. De noodzakelijke voedingsstoffen die een kind naast of na de borstvoeding nodig heeft, zitten in producten als groenten, fruit, zuivel, volkorengraanproducten, vlees, vis en eieren. Veel kinderen in Nederland eten daarvan echter te weinig, en juist te veel voedsel dat arm is aan voedingsstoffen maar rijk aan suikers, koolhydraten, zout en industrieel bewerkte vetten. Kinderen zijn dol op zulke producten, want ze hebben een aangeboren voorkeur voor energierijk voedsel (zoet en vet, zoals borstvoeding) en van nature een afkeer van bittere en zure smaken. Bittere voedingsmiddelen uit de natuur kunnen giftig zijn en zure zijn mogelijk onrijp of bedorven. In de fase van vier tot twaalf maanden gaat het accepteren van nieuwe smaken relatief makkelijk. Dat is dus de ideale periode om die bittere en zure smaken te leren waarderen; bied een kind dan allerlei soorten groenten (vaak ietwat bitter) en fruit (wat zuurder en soms bitter) aan.

Na de 12e week van de zwangerschap beginnen de smaakpapillen zich te vormen. Het helpt dan ook enorm als zwangere vrouwen en natuurlijk ook moeders die borstvoeding geven zelf gevarieerd eten met uitgesproken smaken zoals groenten en kruiden. Zo leren baby’s via het vruchtwater en de borstvoeding die smaken al heel vroeg waarderen. Omstreeks de eerste verjaardag breekt een periode aan waarin kinderen voedsel dat ze niet kennen afwijzen (neofobie). Dan zal het aanleren van het eten van groenten en fruit een stuk lastiger worden.

 

2) Weet: sommige kinderen hebben meer moeite met bitter dan anderen. Dat is geen aanstellerij, maar komt doordat ze ‘supertasters zijn’.

Maar wat doe je nou als kinderen echt geen spruitjes niet lusten? Circa één op de vijf kinderen van twee tot vier jaar kan geclassificeerd worden als een echt ‘lastige eter’: een kind dat extreem selectief is in wat het wel en niet lust. meisjes iets vaker dan jongens – zijn zogenaamde ‘supertasters’. Het is voor ouders fijn om te weten dat hun kind zo’n superproever is. Je kunt het laten testen met een zogenaamde propylthiouracil- (prop-)test , ook phenylthiocarbamide (PTC) genoemd. Stripjes zijn online te bestellen op bijvoorbeeld Amazon. Supertasters vinden deze stof erg bitter maar anderen proeven er niets van. Supertasters hebben tot wel tien keer meer smaakpapillen op hun tong dan andere kinderen en het smaakcentrum in hun brein krijgt een veel sterker signaal door vanuit die papillen. Supergevoelig zijn voor de smaak bitter is erfelijk doorgegeven. Voor supertasters is het eten van zoiets als bittere andijvie of witlof een echte kwelling. Deze kinderen eten relatief weinig groenten. Ze houden vaak ook wat minder van zoet en vet voedsel en zijn daardoor gemiddeld dunner dan andere kinderen. Ze hebben niet zo’n trek in snoep, taart en slagroom, en dat is natuurlijk gezond. Maar ze hebben juist wel een voorkeur voor zout eten en de combinatie van zout en bijna geen groenten is juist weer ongezond. Kortom, het is lastig.

Supertasters zijn van nature lastige eters. Het opdringen van spinazie heeft bij deze kinderen geen zin. Er zijn slimmere manieren om hen toch gezond te laten eten, zoals het minder bitter maken van groentegerechten. Bijvoorbeeld door ze in een stamppot te vermengen met zoet smakende groenten, zoals gekookte wortel of pompoen, en daar dan geleidelijk aan steeds minder van te gebruiken. Bovendien is het geruststellend te weten dat die gevoeligheid voor bitter bij supertasters geleidelijk verdwijnt bij het ouder worden.

 

3) Wacht zo lang mogelijk met het geven van zoet. Fruit uitgezonderd.

Hagelslag en chocopasta bij het ontbijt, een koekje na school, vla of vruchtenyoghurt als toetje; zelfs als ze geen snoepje eten krijgen veel kinderen toch veel te veel toegevoegde suiker binnen. Dat is niet alleen ongezond voor de tanden en kiezen, maar ook een belangrijke oorzaak van overgewicht en daarmee samenhangende welvaartsziektes. Ouders kunnen veel zelf doen om te voorkomen dat hun kind ook een zoetekauw wordt. Stap één daarbij is; voorkom dat kinderen eraan wennen om voortdurend zoet te eten. Wacht bij heel kleine kinderen zo lang mogelijk met het geven van toegevoegde suikers. Fruit is ook zoet, maar de suikers daarin gaan vergezeld van de vezels uit de vrucht. Ze worden daardoor trager in het lichaam opgenomen en zorgen niet voor de befaamde ‘suikerdip’, met trek in meer suiker als gevolg. Vandaar dat je fruit het beste in z’n geheel kunt geven, en niet gepureerd of geperst. Op echt fruit moeten kinderen kauwen, wat ook heel goed voor ze is. En zo leren ze fruit herkennen als fruit, en niet als het zoveelste gemalen, gehomogeniseerde mierzoete fabrieksproduct.

 

4) Pureer babyvoeding niet altijd tot moes. Leer kinderen zo vroeg mogelijk kauwen.

Tussen vier en zes maanden kunnen kinderen beginnen met gepureerd voedsel (‘oefenhapjes’). Dit is ook de leeftijd waarop ze vanzelf beginnen te grijpen naar het vaste voedsel dat ze anderen zien eten. Dat is belangrijk, want kinderen moeten leren zelf in hun voedsel te voorzien en niet afhankelijk blijven van het gemaksvoedsel uit de borst. Een brede variatie aan vast voedsel kunnen vastpakken, kauwen, doorslikken en verteren is een van de steile leercurves die een kind in het eerste levensjaar doormaakt. Als een kind ongeveer acht maanden is, kan het leren vast voedsel te kauwen en door te slikken, ook al heeft het nog geen tanden en kiezen. Dit is een ingewikkeld proces dat veel spier- en hersenactiviteit vereist. Leren kauwen is goed voor de ontwikkeling van het brein. Daarnaast is het gunstig als kinderen al vroeg allerlei smaken leren herkennen en waarderen. Op die manier leren ze gezond en gevarieerd te eten. Tussen één en drie jaar is het daarom aan te raden een kind zo veel mogelijk hapjes met afzonderlijke maaltijdcomponenten te geven, zoals broccoli, aardappelen en vlees.

 

5) Huilen betekent niet altijd ‘honger’. Leer de signalen van je baby interpreteren.

We zien in ons onderzoek dat veel jonge ouders al het gepiep en gekreun van hun baby beantwoorden met voeding. Daar zal de baby vaak inderdaad rustig van worden. Maar dit wil niet zeggen dat het kind dus ook echt honger had. Huilen, onrust en dreinen kunnen ook wijzen op krampjes, vermoeidheid of gewoon behoefte aan aandacht. Om te voorkomen dat baby’s eten krijgen als ze dat niet nodig hebben - en dat ze leren dat eten troost geeft - is het belangrijk dat ouders de signalen van hun kind juist interpreteren. Geeft je kind het signaal dat er iets aan de hand is? Begin dan niet meteen met voeding. Probeer eerst of oppakken, aandacht of een schone luier geven, ook helpt.

 

6) Laat je kind zo veel mogelijk bewegen. Gebruik de kinderwagen, buggy en het wipstoeltje alleen als het nodig is.

Voor ouders zijn kinderwagen, buggy’s en wippertjes handig, maar voor kinderen is het ongezond als ze daar steeds in zitten. Laat een kind zo veel mogelijk zelf bewegen. Dat geldt de hele kindertijd door, maar begint al jong. Ook als een kind nog niet kan lopen is het goed voor z’n motoriek en coördinatie als het bewegingsvrijheid heeft. (Jaap, kun je dit stukje nog iets aanvullen, bijvoorbeeld met info uit onderzoek naar baby’s die steeds ‘vast’ zitten?

 

Een deel van deze tips komt uit ‘Jongleren met Voeding’ dat Jaap Seidell samen met Jutka Halberstadt schreef.

 

Please reload

© 2016 by Vereniging Arts en Voeding  KVK nummer: 66432855